Alles doen om beter te worden
De afgelopen weken werd ik ziek. En helaas zieker dan ik wilde.
Het begon tijdens een lesweekend, als een zachte keelpijn die ik voor het gemak zoveel mogelijk negeerde. Dit was niet een keel om lekker mee te werken, maar stoppen voelde verboden.
Dus ging ik door. En de prijs kwam achteraf.
Na dat weekend werd slikken bijna onmogelijk.
Mijn keel brandde, mijn stem trok zich terug alsof hij ergens diep in mij ging schuilen.
En toch bleef ik denken:
Ik moet dinsdag werken. Uitvallen is geen optie. Ik regel dit wel.
Dus begon het: dat obsessieve zoeken naar oplossingen.
Alles wat binnen handbereik was, gooide ik naar mijn lichaam alsof het daarmee te overtuigen was:
kruiden, pillen, sprays, stoombaden, meditaties, rust, nog meer behandelingen.
Niet vanuit zorg, maar eerder vanuit zorgelijkheid, verantwoordelijkheid en drang tot controle.
Ik voelde precies waarin ik verstrikt raakte:
de overtuiging dat ik mezelf beter moest maken.
Dat dit maakbaar was.
Dat ik controle had.
Elke ochtend werd ik wakker in hetzelfde zieke lichaam.
En elke ochtend groeide de druk:
mijn agenda loopt vol, mensen wachten, dit is niet het moment, ik moet functioneren, ik kan niet stoppen.
Die gedachten — dat dwingende moeten — ze werden luider dan de ziekte zelf.
Misschien was dit patroon wel mijn ware ziekte.
Want mijn lichaam was ziek, ja.
Maar mijn geest vocht.
En dat gevecht putte me uit op een manier die die keelpijn nooit had gekund.
Wanneer weerstand meer pijn doet dan de ziekte
Ik begon op te merken hoe ik niet alleen leed door de symptomen van mijn keel- en bijholteontsteking, maar door de weigering om toe te geven dat ze er waren.
Alsof ik dacht dat ik het leven kon instrueren:
Luister. Dit komt me nu niet uit. Je wacht maar even. Ik heb plannen.
Maar het leven luisterde niet.
Mijn lichaam luisterde niet.
En mijn obsessie om te fixen werkte niet.
Voor mijn gevoel leek niks te werken.
Uiteindelijk stond ik op een dag bij mijn afspraken zonder stem, met een hoofd dat dicht zat, met sinussen die voelden alsof er cement in gegoten was.
Ik kon nauwelijks praten.
Nauwelijks functioneren.
Nauwelijks doen alsof.
Het werd zo pijnlijk duidelijk:
Ik ga dit niet winnen. Ik kan me blijven verzetten, maar deze secundaire laag maakt mijn aandoening nog complexer.
Ik voelde:
Mijn weerstand is groter dan mijn ziekte.
Mijn strijd doet me nog zieker voelen dan alleen het virus zelf.
Mijn obsessie om te herstellen is het echte obstakel.
Het was alsof ik tegen wind in bleef rennen,
en pas toen ik stopte, merkte ik dat er een overgave moest gaan komen.
Maar het is zo’n reactief patroon — angst voor uitvallen, voor falen, voor tekort, voor teleurstellen, voor verlies.
Die angst maakte dat ik bleef duwen.
Bleef “doorgaan”.
Bleef zoeken naar manieren om dit moment te omzeilen.
Maar het moment liet zich niet omzeilen.
Wat mijn lijf nodig had om te helen was een overgave, even ziek mogen zijn.
Oké. Ik ben ziek.
Dit is er.
Ik hoef dit niet te fixen.
Ik ben geen machine.
Overgave als begin van heling
En juist daar, in dat toestaan, voelde ik voor het eerst wat rust.
Een soort verzachting die niet kwam omdat ik beter werd,
maar omdat ik stopte met mezelf te bevechten. Gewoon “lekker in bed liggen”.
En hier werd ik geconfronteerd met een patroon dat ik vaker op bezoek heb gehad.
Dat de heling niet alleen zit in wat er met mijn lichaam gebeurt,
maar vooral in de relatie die ik ermee heb.
Ziekte vraagt soms niet om actie, maar om aanwezigheid.
Om toestemming.
Om rust.
Om dat diepe besef dat het leven niet luistert naar onze plannen — en dat dat oké is.
Misschien kun je zelf ook wel relateren dat je klacht zo ingewikkeld is geworden dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Dat je zo’n groot verlangen hebt om de klachten gewoon niet meer te hebben. Dat je eindelijk beter wilt worden. En dat je door deze drive, dit streven, deze weerstand eigenlijk niet meer ziet dat dit de grootste stressor is geworden in je ziekteproces.
Mindfulness, of werken met aandacht, is een mooie manier om hier wat inzicht in te krijgen.
