Waarom ruimte houden werkt

In mijn werk als mindfulnesstherapeut en acupuncturist zie ik telkens weer hoe bijzonder het is wanneer iemand zich écht gezien voelt. Niet beoordeeld, niet gecorrigeerd, maar eenvoudigweg vastgehouden in aandacht. Ruimte houden — spaceholding — klinkt eenvoudig, maar het is een subtiel en diep helend proces.

Neuropsycholoog Norman Doidge beschreef hoe ons brein voortdurend verandert. Neuroplasticiteit betekent eigenlijk niets anders dan dat zenuwcellen (neuronen) veranderlijk en aanpasbaar zijn. En dat is goed nieuws. Het betekent dat bepaalde tijdelijke ervaringen – moments of state – zich kunnen verdiepen en blijvende kwaliteiten kunnen worden – traits – vooral wanneer ze regelmatig gecultiveerd worden (Geller & Greenberg, 2023).

Ons brein als veranderlijk landschap

Ons brein is echter van nature niet neutraal. Het is bedraad om negatieve ervaringen snel te registreren en op te slaan, simpelweg omdat dit onze overlevingskansen vergroot. Denk aan hoe snel we leren wanneer we onze vinger aan een hete pan branden — het brein “overleert” als het ware. Negatieve ervaringen blijven plakken, terwijl positieve ervaringen juist 10 tot 20 seconden bewust gevoeld moeten worden voordat ze zakken en werkelijk worden opgenomen in ons systeem (Hanson & Mendius, 2009).

Daarom is bewuste aanwezigheid zo belangrijk. Wanneer we ervaren wat er nú gebeurt en erbij kunnen blijven, krijgt het de kans om door ons heen te werken. Dit geldt ook – en misschien zelfs juist – voor negatieve gevoelens. Als we deze gevoelens kunnen vasthouden binnen een sfeer van veiligheid, geven we ons zenuwstelsel de boodschap dat het oké is. We hoeven niet in de negativiteit te blijven hangen, maar we hoeven er ook niet voor weg te rennen. Zo leren we beetje bij beetje dat moeilijke emoties een innerlijke ervaring zijn, en dat we veilig zijn terwijl ze zich tonen.

Veel cliënten vertellen me dat ze zich beter voelen na een sessie. Sommigen vragen zich af hoe dat kan: is het de acupunctuur, de naaldjes, de technieken? Natuurlijk speelt dat allemaal een rol, maar vaak wordt vergeten hoeveel heling er in het gesprek zelf zit. In de traditionele Chinese geneeskunde zien we alles als een uitwisseling van energie. Het gaat niet alleen om de techniek, maar om de intentie en de resonantie van een dynamiek.

Ik heb het altijd gefascineerd gevonden hoe we op subtiele manieren invloed op elkaar hebben. Hoe je, wanneer je een ruimte binnenloopt waar net iets ernstigs besproken is, meteen kunt voelen dat er iets “in de lucht hangt”. Of hoe je je prettig kunt voelen in een eetzaal waar maar één persoon zit die lekker in zijn vel zit — of juist onrustig als diezelfde persoon slecht gehumeurd is. Zoals Chödrön (2018) zo mooi beschrijft: we nemen elkaar onbewust mee in onze innerlijke staat.

Voor dieren die leven met het constante risico van roofdieren, speelt wat Preston en De Waal (2002, zoals aangehaald in Gilbert, 2005) emotionele besmetting noemen een cruciale rol. Wanneer één dier gevaar waarneemt, verspreidt die angst zich razendsnel door de groep, waardoor iedereen direct kan reageren en vluchten. Dit vermogen om elkaars innerlijke toestand aan te voelen wordt ook wel empathische resonantie genoemd. Bij mensen herkennen we ditzelfde principe. Denk aan een baby die begint te huilen: een moeder hoeft niet te analyseren wat er aan de hand is. Haar lichaam reageert automatisch; haar aandacht verscherpt en ze voelt de impuls om te handelen. Deze afstemming tussen twee zenuwstelsels is een diepgewortelde vorm van verbondenheid, en een essentieel onderdeel van onze sociale natuur.

Wat veiligheid met ons zenuwstelsel doet

Volgens Gilbert (2015) kan een beter begrip van deze empathische processen grote gevolgen hebben voor hoe we met elkaar omgaan, en zeker binnen een therapeutische relatie. Therapeut en cliënt stemmen zich vaak op subtiele manieren op elkaar af — soms meer dan hen bewust is. Daarom is compassie zo belangrijk in het therapeutisch werk. Wanneer een therapeut warmte, aanwezigheid en oprechte vriendelijkheid belichaamt, is het logisch dat cliënten hiermee resoneren. Ze kunnen in contact komen met diezelfde rust en zachtheid in zichzelf; het innerlijke systeem ontvangt een signaal van veiligheid en ontspanning.

En het omgekeerde geldt net zo goed. Wanneer een therapeut gespannen, afstandelijk of onzeker aanwezig is, voelt de cliënt dat óók. In dat licht wordt duidelijk hoe krachtig de invloed van een compassievolle therapeut kan zijn binnen het proces van heling and hoe “space holden” kan werken bij het herstel van iemand. Zoals Tara Brach (2018) zo mooi omschrijft: het is onze liefdevolle aanwezigheid die niet alleen ons eigen hart verzacht, maar ook dat van de ander.

Dit alles betekent trouwens niet dat ik zelf altijd in een ontspannen, open of “ruimte houdende” staat ben. Integendeel — ik ben ook maar een mens, en regelmatig lukt het me helemaal niet. Soms word ik meegesleept door gedachten, soms door gevoelens, soms door de drukte van de dag. Maar juist dan merk ik hoe waardevol mijn mindfulness-oefening is. Het is de mindfulness spier die me steeds weer herinnert dat er een andere manier van aanwezig zijn mogelijk is. Niet perfect, niet voortdurend — maar wel steeds opnieuw toegankelijk.

En misschien is dat ook precies de uitnodiging voor ons allemaal: dat ruimte houden geen einddoel is, maar een terugkerende beweging. Dat we niet hoeven te wachten tot we ‘kalm genoeg’ zijn, maar dat we mogen oefenen in het creëren van die open plek waarin we kunnen waarnemen wat er gebeurt, precies op het moment dat het gebeurt — en zonder voorkeur.

Geef een reactie