Over menselijkheid, afleiding en de zachte kracht van compassie.
Soms zegt iemand tegen me, op momenten dat ik gestrest ben:
“Ik dacht dat jij aan mindfulness deed?”
Of als ik ziek ben: “Kun je daar niet wat acupunctuur voor gebruiken? Wat Chinese kruiden?”
Het is bijna alsof mindfulness of de Chinese geneeswijze betekent dat ik constant kalm en evenwichtig door het leven ga. Alsof ik, als therapeut, vrij ben van lijden — immuun voor de rommel van het leven.
Maar de waarheid is precies het tegenovergestelde.
Er zijn genoeg dagen dat ik niet aanwezig ben. Dat mijn vrouw iets vertelt en ik haar halverwege kwijt ben — niet omdat ik niet wil luisteren, maar omdat mijn hoofd alweer ergens anders is.
Sterker nog, door met mindfulness te werken, gaan we ons steeds vaker realiseren hoe vaak we eigenlijk afgeleid zijn.
Met mijn kinderen gebeurt het net zo.
We zitten samen op de grond, bouwen iets van Lego — en plots zit ik met mijn telefoon in mijn hand.
Afgeleid. Versnipperd. Niet écht bij hen, maar ontsnappend aan een gevoel, en vanuit een roes beland ik op de telefoon.
Mijn lichaam vertelt ook z’n eigen verhaal.
Hooikoorts. Een kuit die niet geneest.
Vroeger zat mijn huid vol acne, en in de eerste jaren van mijn werk had ik wekelijks hoofdpijn.
Alsof mijn lijf mij al die tijd iets probeerde te vertellen: het is oké om niet oké te zijn.
En met regelmaat sta ik stil bij hoe ik me voel; dan is het eerlijk gezegd niet altijd best.
Zo nu en dan is er verdriet. Prikkelbaarheid. Vaak gericht op de mensen die ik het liefst zie.
Soms hoor ik mezelf tegen mijn vrouw praten met een toon die ik van binnen niet wil laten horen — controlerend, betweterig. En dat doet pijn.
Waar is mijn aanwezigheid dan? Vaak voelt het alsof ik op de automatische piloot leef.
Verdwaald in gedachten, ontevreden over wat ik doe, of mezelf veroordelend omdat ik opnieuw afgeleid was.
En ja, soms ook verstrikt in oud, verslavend gedrag dat me even laat ontsnappen, maar daarna alleen maar leger maakt.
Er zijn momenten dat ik mezelf intens afwijs.
Dat ik iemand anders wil zijn: beter, specialer, succesvoller.
Maar hoe langer ik met mindfulness werk, hoe beter ik die innerlijke stem leer kennen.
Niet om haar te laten zwijgen, maar om haar te ontmoeten.
Om te voelen wat eronder ligt — pijn, schaamte, verlangen — en daar ruimte voor te maken.
Soms, als ik dat doe, wordt het iets zachter. Niet mooier, niet opgelost, maar zachter.
Alsof er naast het oordeel een tweede stem klinkt, die zegt: het is goed, ook dit mag er zijn.
Mindfulness helpt me niet om alles onder controle te krijgen.
Vaak is de poging om alles onder controle te hebben een groot onderdeel van de problemen die we ervaren.
Maar mindfulness helpt me om te zien dat ik ín de storm zit — en dat ik daar niet altijd iets mee hoef.
Dat ik de trein van machteloosheid kan stoppen, niet door eruit te springen, maar door te beseffen dat ik aan boord ben.
In de beoefening van compassie groeit het besef dat we allemaal, in zekere zin, een compassionate mess zijn.
We doen ons best. We struikelen. We proberen weer op te staan.
Eigenlijk hebben we allemaal onze worstelingen, we zijn imperfect, en dat doet soms heel veel pijn.
Misschien is de kern van mindfulness compassie:
niet het streven naar perfectie,
maar het zacht kunnen blijven,
ook wanneer alles een beetje schuurt.
